Graszodenbeheer: maaihoogte en wortelontwikkeling
Gezond gras begint onder het maaiveld.
Maaihoogte, maaifrequentie en het beheer van maaisel hebben directe invloed op wortelontwikkeling, veerkracht van de grasmat en de langetermijnkwaliteit van het gras. Onderstaande achtergrondinformatie laat zien waarom een maaistrategie die de grasgroei volgt essentieel is voor duurzame graszodenteelt.
Grassen vormen een vezelig, ondiep en sterk vertakt wortelstelsel dat gevoelig is voor omgevingsfactoren en beheermaatregelen. Wortelgroei is afhankelijk van koolhydraten die in het bovengrondse groene bladweefsel via fotosynthese worden geproduceerd.
Bodemcondities spelen een cruciale rol bij wortelontwikkeling. In verdichte bodems wordt wortelgroei beperkt door fysieke barrières en een verminderde zuurstofbeschikbaarheid. Voldoende zuurstof in de bodem is essentieel voor wortelademhaling en de algehele plantgezondheid.
Ook maaibeheer heeft grote invloed op wortelontwikkeling. Lage maaihoogten verminderen het bladoppervlak en daarmee het vermogen van de plant om koolhydraten te produceren. Hierdoor is minder energie beschikbaar voor wortelgroei, wat resulteert in een ondieper wortelstelsel. Hogere maaihoogten vergroten het bladoppervlak, wat leidt tot meer wortelmassa en diepere beworteling. De relatie tussen grashoogte en worteldiepte is daarom vrijwel lineair.
Grassen verdragen maaien doordat hun groeipunt zich dicht bij het bodemoppervlak bevindt. Ze compenseren het verlies van bladweefsel door onder de maaihoogte meer scheuten te vormen. Daarom moet de maaihoogte, afhankelijk van het gebruiksdoel van de grasmat, zo hoog mogelijk worden gehouden binnen praktische grenzen.
Maaifrequentie hangt direct samen met de maaihoogte. Hoe lager de maaihoogte, hoe vaker gemaaid moet worden. Als algemene richtlijn geldt dat per maaibeurt niet meer dan een derde van het bovengrondse plantmateriaal mag worden verwijderd. Wanneer meer dan 40% van het bladweefsel wordt verwijderd, kan de wortelgroei tijdelijk stilvallen, variërend van zes dagen tot meer dan twee weken.
Wanneer de maaihoogte voorafgaand aan de oogst moet worden verlaagd, dient dit geleidelijk over meerdere weken te gebeuren. Zo kan de grasmat haar dichtheid vergroten en beter wennen aan een lagere maaihoogte.
Maaisel wordt bij voorkeur op de grasmat achtergelaten. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat het terugbrengen van maaisel niet leidt tot extra viltvorming. Integendeel, maaisel verteert snel en levert stikstof aan het blad en de bodem, terwijl het bijdraagt aan een hoger organisch koolstofgehalte in de bodem. Alleen overtollig maaisel dat de grasmat fysiek verstikt, moet worden verwijderd.
Dit inzicht in grasgroei en maaihoogte onderstreept het belang van maaistrategieën die maaifrequentie, gebruiksintensiteit en plantgezondheid in balans brengen. Eco Clipper-maaisystemen zijn ontwikkeld om deze strategieën praktisch uitvoerbaar te maken, doordat maaiplanningen betrouwbaar gevolgd kunnen worden — ook onder wisselende weersomstandigheden.
Bron: Fundamentals of Turfgrass Management — Christians, N.E., Patton, A.J. & Law, Q.D., John Wiley & Sons.